Voert de Eerste Kamer haar taak nog wel uit?

“Ik ben niet zo van het slijmen,” zei Marjolein Faber laatst. “Je moet gewoon oordelen op de feiten zoals ze zijn.”

Het klinkt als een nuchtere, recht-voor-z’n-raap opmerking. Maar als je er even bij stilstaat, zegt ze eigenlijk iets groters. Want als je zegt dat je niet aan het slijmen bent, dan lijkt het erop dat anderen dat dus wél doen. Wat bedoelt ze daar precies mee?

Slijmen in de Senaat?

Slijmen — een beetje vriendjespolitiek, een dealtje hier, een knipoog daar — het klinkt als iets uit een aflevering van House of Cards, niet iets wat je verwacht in de Eerste Kamer. En toch… het roept een ongemakkelijke vraag op: worden sommige wetten aangenomen of afgewezen op basis van politieke spelletjes, in plaats van inhoud?

Denk bijvoorbeeld aan een wet die eigenlijk niet goed in elkaar zit — juridisch wankel, lastig uitvoerbaar — maar tóch wordt doorgedrukt omdat de coalitie hem nodig heeft. Of omgekeerd: een wet die juist wél sterk en doordacht is, maar geblokkeerd wordt als politiek statement tegen de regering. Dat is geen toetsing op rechtsstatelijkheid, dat is gewoon strategie.

De Eerste Kamer: de scheidsrechter, niet de spits

De Senaat is er niet om mee te scoren, maar om scherp te fluiten. In theorie althans. Officieel is de Eerste Kamer een reflectiekamer. Geen plek om partijstandpunten te verdedigen, maar om wetsvoorstellen te toetsen: is het juridisch houdbaar? Past het binnen onze Grondwet? Is het uitvoerbaar?

Vergelijk het met een architect die kijkt of het bouwwerk stevig staat — niet of het mooi is, of populair.

Maar in de praktijk…

…zien we iets anders gebeuren. Senatoren stemmen vaak gewoon mee met hun partij. Logisch ook: ze zijn niet rechtstreeks gekozen, maar via de Provinciale Staten, en hebben vaak diepe banden met hun partijgenoten in de Tweede Kamer.

Stel je voor: een Senaat waarin een senator denkt, “Tsja, ik zie de gebreken van deze wet, maar als ik tegenstem, valt het hele coalitieakkoord misschien in duigen.” Dan weegt loyaliteit ineens zwaarder dan de wet. Of andersom: een oppositiepartij stemt tegen een goede wet “om een signaal af te geven.”

Achter de schermen worden afspraken gemaakt: “Als jij dit voorstel steunt, dan help ik jouw plan volgende week.” Onderhandelingen, netwerken, ruilgedrag — het lijkt soms meer op politiek schaak dan op juridische toetsing.

Fabers opmerking als spiegel

Fabers simpele zin wordt in dat licht ineens veelzeggend. Het is een wake-up call. Misschien zelfs een stille waarschuwing: laten we niet vergeten waar de Eerste Kamer eigenlijk voor is.

Want als die waakhond verandert in een verlengstuk van het partijspel, wie bewaakt dan nog de regels van het spel?

Tijd voor reflectie

De vraag is niet bedoeld om met vingers te wijzen, maar om onszelf wakker te schudden. Doet de Eerste Kamer nog wat hij moet doen? Kijkt ze echt met een onafhankelijke blik naar wetten? Of is het tijd om opnieuw te kijken naar hoe we die onafhankelijkheid waarborgen?

In een gezonde democratie is onafhankelijkheid geen extraatje. Het is de basis. En precies daarom moeten we die basis beschermen — ook als het ongemakkelijk is.